Brief 13/4

Lieve Jacqueline,

Twee week geleden heb ik voor een intern tijdschrift bij mijn werk een artikel geschreven. Het ging over een man die is misbruikt in de jeugdzorg. Ik had hem geholpen om een aanvraag te doen voor een schadevergoeding en zijn verhaal raakte mij. Een intens en bijzonder verhaal over een jonge knul die beschadigd wordt en in de steek gelaten wordt door instanties. Het was een eer om hem te mogen interviewen voor ons blad en om zijn verhaal woorden te geven. 

Vanochtend sprak ik een vrouw vol vuur en verontwaardiging. We hebben al een aantal keren contact gehad. Ze is slachtoffer geworden van misbruik in een grote instelling en dit heeft hele grote wonden en littekens veroorzaakt. Een verhaal dat gelijkenissen vertoond met die van de man. Ook zij is zoekende naar erkenning, hopende op veranderingen, hopende dat anderen dit niet hoeven mee te maken. 

Als ik naar haar luister gebeurt er van alles bij me. Ik wil als medemens aanwezig zijn in het gesprek, niet te veel professionele afstand nemen, want dat wordt feilloos aangevoeld. ‘Dat is er weer één die doet alsof ze het zo erg vindt’. Maar ik heb eveneens afstand nodig om in het gesprek te kùnnen blijven luisteren, ik moet mezelf beschermen, zorgen dat haar pijn bij mij niet te diep binnenkomt. En dat voelt logisch en tegelijkertijd ook raar: want wie heeft hen beschermd? Wie zorgde ervoor dat zij veilig waren? Ik voel de boosheid ergens in mij borrelen, maar weet dat ik er tijdens het gesprek niets mee kan. Mijn boosheid helpt haar niet. Wat wel helpt is als ik aanwezig ben en blijf. Het is verleidelijk om in gedachte weg te dwalen, als het even dicht bij komt of als het verhaal even niet te volgen is door de emoties en het vuur van het betoog van de ander, zeker aan de telefoon, en zeker als wat je hoort zo ver weg staat van je eigen realiteit. Dus ik sta op en ga achter mijn laptop vandaan en loop even met de oortjes in tijdens het gesprek naar de woonkamer en loop wat heen en weer. Dit helpt me. Ik blijf bij het gesprek en voel dat ik meer aanwezig ben dan achter mijn laptop. Ik voel nu beter aan wat ik voor haar kan betekenen en check dit gelijk. ‘Ja graag, als dat zo kan ben ik heel blij’  luidt haar reactie. We ronden af en ik hoor in haar stem dat het ons gelukt is om de verbinding te leggen die haar steunt. 

Ik schrijf gelijk mijn verslag en daarna sluit ik mijn werkdeel op mijn  laptop even af. Ik heb nog wat regelzaken privé te doen en ga even mijn lijstje af als afleiding. Daarbij verdwaal ik bijna bij het activeren van een rekening en het installeren van de bijbehorende app. Zucht wat een gedoe. Tijd voor de lunch.

En dan val ik even stil en voel dat ik aan de eettafel bevlogen en boos wordt. Ik zie een vergelijk tussen de bank-perikelen en de verhalen van de cliënten en het frustreert me en doet me verdriet. 

Zaken regelen bij de bank kan vrijwel alleen maar online; een mens spreken die meedenkt is een luxe. En als je kwetsbaar bent of digitaal niet handig of niet geschoold? Dan verdwaal je. Een filiaal hier in het dorp is er niet meer en aan de telefoon wordt ik ook terugverwezen naar de site. Waar is het mensenwerk gebleven? Ben ik er voor de bank of is de bank er  voor mij?? 

Wat nou als je ouders niet voor je kunnen zorgen. Dan hoop je op warme armen en dat je veilig bent ergens anders…..(.Het raakt me en maakt me boos en verdrietig nu ik dit schrijf.) Hoe kan het dat dit niet vanzelfsprekend is. Waar was het mensenwerk toen zij klein waren? Zijn we nu in onze maatschappij nog medemens genoeg voor elkaar?  

Voor mij is dit een dagelijks terugkerende oefening. 

Je t’embrasse..

Marjan